Een mini-onderneming is een klein bedrijfje dat leerlingen, in het voortgezet onderwijs, opstarten met behulp van Jong Ondernemen. In zo’n bedrijfje worden goederen geproduceerd, verhandeld of diensten verleend. Er is een handleiding van Jong Ondernemen, een docent die dit wekelijks begeleidt, een bedrijfsmentor en een accountant.In deze mini-onderneming komt alles aan bod wat ook bij het starten van een echte onderneming speelt.
Ik heb afgelopen jaar 2 van deze ondernemingen begeleid als bedrijfsmentor: de ene mini-onderneming functioneerde uitstekend, de andere kwam niet op gang. Interessant is om te weten wat de oorzaken zijn van het slagen of falen. Hieronder een poging om de belangrijkste oorzaken te benoemen.
1. Heel veel uitleg aansluitend op niveau leerlingen
In de startfase van een onderneming leg je de basis. Voor de leerlingen is het heel belangrijk om op hun eigen niveau (!) uitgelegd te krijgen wat de mini-onderneming inhoudt en wat er van hen wordt verwacht: wat moeten zij doen om de mini-onderneming te laten slagen. De begeleiding is er verantwoordelijk voor dat dit duidelijk, op het niveau van de leerlingen, wordt uitgelegd. Ook zal de begeleiding de mini-onderneming goed moeten aansturen totdat de directeur deze taak voldoende kan uitvoeren. In de periode daarna zal de directeur goed moeten worden begeleid door de begeleiders.
De leerlingen op een ‘hoger’ niveau kunnen eerder zelfstandig de onderneming voeren, de leerlingen op een ‘lager’ niveau moeten meer aan de hand worden genomen en gevolgd om de doelen te kunnen bereiken.
2. Positief motiveren binnen een positieve duidelijke omgeving
Hoe worden de leerlingen gemotiveerd? Een veelvoorkomend probleem is – ook in het bedrijfsleven – dat afspraken niet of onvoldoende worden nagekomen. De cultuur van de groep, maar ook van de school speelt een belangrijke factor. De motivatie zal m.i. moeten worden gestimuleerd met een mix van intrinsieke en extrinsieke motivatie wat afhankelijk is van de groepssamenstelling en het ‘niveau’. Hierbij levert het stimuleren van de intrinsieke motivatie (de motivatie vanuit de leerlingen zelf, zodat ze het zelf leuk gaan vinden) veel meer op dan extrinsieke motivatie (‘straffen’, certificaat halen, volledige en volwaardige integratie in lespakket).
Er moet in elk geval voor worden gezorgd dat de leerlingen het leuk vinden om de mini-0nderneming tot een succes te maken.
Bovendien moeten de leerlingen zich verantwoordelijk weten voor de hele onderneming, niet alleen hun eigen functie/taken. Ze moeten leren om elkaar netjes maar wel duidelijk aan te spreken en elkaar te houden aan de afspraken. Dit zal dan ook elke vergadering weer aan de orde moeten komen en de directeur zal regelmatig moeten volgen of de rest de afspraken ook echt nakomt.
Duidelijkheid! Het moet voor de leerlingen duidelijk zijn wat ze moeten doen, waarom ze dat moeten doen en binnen welke termijn hun taken af moeten zijn. Belangrijk is om het hele project op te delen in kleinere subprojecten (mijlpalen stellen).
3. De leerlingen moeten betrokken zijn bij het gekozen product/dienst, de te kiezen doelgroep en de weg naar de doelgroep toe.
Het te kiezen product of dienst moet goed passen bij de leerlingen. Men moet zich betrokken kunnen voelen bij dit product of deze dienst. Ook de doelgroep en ook de manier om het product/dienst bij de doelgroep te brengen moet passen bij de leerlingen.
—————————————————
Tot zover mijn bevindingen om mee te nemen naar de volgende mini-onderneming. Ik verwacht dat de slaagkans van de mini-ondernemingen fors toeneemt als meer rekening wordt gehouden met bovenstaande factoren en deze concreet worden benoemd.
Tags: leerlingen, mbo, mini-onderneming, motivatie
26 februari 2011 om 15:30 |
Hoi Johan,
Het lijkt me leuk als je het bloggen weer oppakt
groetjes, Wendi
29 december 2011 om 12:03 |
Beste Wendy,
Eindelijk ben ik er weer aan toe om het bloggen weer op te pakken.
Ben alleen bang dat ik weer te veel wil. Ben bezig met een website over rendementsmanagement van overheid, onderwijs en bedrijven.
Daarnaast probeer ik een website op te zetten voor adhd-ers, autisme, add, odd, etc, etc. De insteek is vooral: positieve benadering van de mogelijkheden. Bestrijden van: etiket plakken, alleen benadering vanuit beperking, geen integrale benadering, etc., etc. De huidige aanpak van dit soort etiketten schiet m.i. schromelijk tekort door een verkeerde insteek. Ik hoop daar later nog een keer op terug te komen op een website.
Hoe gaat het verder met jou? Nog nieuwe ontwikkelingen?
Groetjes, Johan